Indien de kantonrechter van oordeel is, dat de behandeling van het verzoek tot intrekking van de surséance niet zal zijn beëindigd vóór de dag, waarop de schuldeisers krachtens artikel 206, tweede lid, worden gehoord, gelast hij, dat de griffier de schuldeisers bij brieven zal mededelen, dat dit verhoor op die dag niet zal worden gehouden.
Zo nodig bepaalt hij later de dag waarop dit verhoor alsnog zal plaats vinden; de schuldeisers worden door de griffier bij brieven opgeroepen.