Nadat de surséance is verleend, kan zij, op verzoek van de bewindvoerders, van één of meer der schuldeisers of ook ambtshalve door de kantonrechter worden ingetrokken:
1°. indien de schuldenaar zich, gedurende de loop van de surséance, aan kwade trouw in het beheer van de boedel schuldig maakt;
2°. indien hij zijn schuldeisers tracht te benadelen;
3°. indien hij handelt in strijd met artikel 218, eerste lid;
4°. indien hij nalaat te doen, wat in de bepalingen, bij het verlenen van de surséance of later gesteld, aan hem is opgelegd of wat naar het oordeel der bewindvoerders door hem in het belang van de boedel moet worden gedaan;
5°. indien, hangende de surséance, de staat van de boedel zodanig blijkt te zijn, dat handhaving van de surséance niet langer wenselijk is of het vooruitzicht, dat de schuldenaar na verloop van tijd zijn schuldeisers zal kunnen bevredigen, blijkt niet te bestaan.
In de gevallen, vermeld onder 1. en 5., zijn de bewindvoerders verplicht de intrekking te vragen.
De verzoeker, de schuldenaar en de bewindvoerders worden gehoord of behoorlijk opgeroepen. De oproeping geschiedt door de griffier tegen een door de kantonrechter te bepalen dag. De beschikking is met redenen omkleed.
Indien op grond van dit artikel de surséance wordt ingetrokken, kan bij dezelfde beschikking de faillietverklaring van de schuldenaar worden uitgesproken. Wordt het faillissement niet uitgesproken, dan blijft de surséance gehandhaafd tot de beschikking van de kantonrechter in kracht van gewijsde is gegaan.