1. Het is de werkgever verboden onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen bij het aangaan, wijzigen en beƫindigen van de arbeidsovereenkomst, de toepassing van arbeidsvoorwaarden en bij de regeling van de arbeidsomstandigheden, opleiding en scholing van de werknemer.
2. Van lid 1 mag worden afgeweken:
a. voor zover het betreft het aangaan van de arbeidsovereenkomst en het verstrekken van opleiding en scholing, indien het gemaakte onderscheid is gebaseerd op een kenmerk dat verband houdt met het geslacht en dat kenmerk wegens de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgevoerd, een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste is, mits het doel legitiem is en het vereiste evenredig aan dat doel is;
b. indien het bedingen betreft die op de bescherming van de vrouw, met name in verband met zwangerschap en moederschap, betrekking hebben;
c. indien het tijdelijke bedingen betreft die zijn gericht op feitelijke gelijkstelling van mannen en vrouwen.
3. Het in lid 1 neergelegde verbod van onderscheid geldt niet ten aanzien van indirect onderscheid indien dat onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
4. Elk beding in strijd met lid 1, met uitzondering van het in lid 2 bepaalde, is nietig.
5. Indien de vrouwelijke werknemer die meent dat in haar nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in dit artikel, in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de werkgever te bewijzen dat niet in strijd met dit artikel is gehandeld.